Met 548 stemmen voor, 84 tegen en 31 onthoudingen keurde het Parlement het rapport van Frans parlementslid Corinne Lepage. Het rapport beveelt aan de lidstaten de mogelijkheid te geven GGO-teelten op hun grondgebied te verbieden of in te perken. Het Parlement vraagt dat de lidstaten bijkomende ecologische argumenten mogen inroepen, zoals de weerstand tegen pesticiden of het behoud van de biodiversiteit. Het Parlement is van mening dat ook de sociaaleconomische impact een terecht motief voor een verbod is, bijvoorbeeld als gevreesd wordt dat de traditionele teelten besmet worden. De parlementariërs onderstrepen ten slotte dat alle lidstaten maatregelen moeten treffen om de besmetting met GGO's in de klassieke of biologische landbouw te vermijden en dat ze er op moeten toezien dat de verantwoordelijken voor dergelijke incidenten financieel aansprakelijk worden gesteld. Corinne Lepage was verheugd over het stemmingsresultaat, dat sterkere juridische garanties biedt voor de lidstaten: 'Dit evenwichtig akkoord zal de Staten en gewesten die dat willen in staat stellen om GGO-teelten te bannen.'
Deze stemming is een duidelijk signaal van het Europees Parlement naar de Raad en de Commissie toe. Het Parlement vraagt dat het communautaire evaluatiesysteem verbeterd wordt en erkent dat landbouw-ecologische effecten en sociaaleconomische gevolgen van besmetting door GGO's ingeroepen kunnen worden als reden voor een verbod op GGO-teelt. De macht van de lidstaten om soeverein te kunnen beslissen over het al dan niet toelaten van GGO's wordt verder gelegitimeerd door de diversiteit aan landbouwpraktijken in Europa en het gebrek aan betrouwbare gegevens over de lokale effecten van GGO-teelt, zo argumenteert rapporteur Corinne Lepage.
In België beslissen verschillende instanties over GGO-gerelateerde kwesties. Dit hangt af van het type GGO en de opeenvolgende fasen van het teeltproces. Het geïsoleerde gebruik van GGO's (in laboratoria, industrie, …) is een bevoegdheid van de Gewesten. Klinische testen vallen onder de federale bevoegdheid en veldproeven, inclusief de inschatting van de milieu- en gezondheidsrisico's, zijn een gedeelde bevoegdheid van de federale Staat en de Gewesten… De federale overheid, ten slotte, is bevoegd voor de meer commerciële aspecten aangaande het op de markt brengen van de GGO's (in voeding, verkoop van granen en zaaigoed,...). Beslissingen over het al dan niet samengaan van GGO's met andere teelttypes worden genomen door de Gewesten, aangezien dit onder het gebied van de landbouw valt.
Kortom, rekening houdend met de veelheid aan overheden die beslissingsmacht over het GGO-beheer hebben, werken de federale overheid en de Gewesten samen zodat ze kunnen beschikken over een gemeenschappelijk systeem voor de wetenschappelijke risicoanalyse. Dit systeem is samengesteld uit twee eenheden: de Adviesraad voor Bioveiligheid en het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid.
Concreet wordt elke aanvraag voor een gewilde verspreiding van GGO's die in België ingediend wordt geëvalueerd door de Raad, samengesteld uit vertegenwoordigers van de federale en gewestministers die uit academische of overheidskringen afkomstig zijn.
Momenteel wordt in de Europese Unie de richtlijn 2001/18/EG toegepast. De toelating om GGO's in omloop te mogen brengen hangt af van een toelating van de Commissie, die wordt afgeleverd na een studie die verondersteld wordt de milieurisico's aan te tonen. Twee GGO-teelten zijn toegelaten: de maïs MON810 Monsanto en de aardappel Amflora van de Duitse groep BASF. De lidstaten kunnen zich tegen deze beslissing verzetten door een vrijwaringsclausule in te roepen. Oostenrijk, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Duitsland, Luxemburg en Bulgarije hebben dat al gedaan. De GGO-exporteurs hebben echter steeds de optie voor het Europees Hof van Justitie of voor de WHO in beroep te gaan. Dat is precies wat Monsanto gedaan heeft door met Frankrijk in de clinch te gaan toen het de teelt van de genetisch gemodificeerde maïs verbood.
Merk op dat de teelt van GGO's de laatste jaren met een zekere regelmaat afneemt in Europa, waar de publieke opinie er met een meerderheid tegen gekant is. Dat neemt niet weg dat de GGO-producten goed en wel aanwezig zijn in Europa: in 2010 werd 40 miljoen ton soja bestemd voor diervoeders ingevoerd, waarvan de helft genetisch gemodificeerd was… De consumenten beschikken over het algemeen over onvoldoende informatie over GGO's. Daarom vindt het OIVO het een goede zaak dat het Europees debat eindelijk gevoerd werd en is het blij met de huidige vooruitgang, in afwachting van de stemming over de richtlijn volgend jaar. Tegen dan vraagt het OIVO een duidelijke herkenbaarheid van de producten die GGO's bevatten.
Volledige studie: Perceptie van GGO's.